Boek 1: Ten Koppel

Eefsel of Het Meken?
Op 24 april 1821 overlijdt de 80-jarige Garrit Jan te Koppel (1741), zoon van stamouders Teunis te Koppele en Garritjen Laarburg, op Lievelde 91 (dat ligt nu aan de Grensweg ten noorden van Lievelde). Zijn zoon Antonius te Koppel overlijdt in 1848 op Lievelde 97d, een paar kavels verderop aan de Droebertweg tegenover de huidige visvijvers, buurschap Eefsel genoemd. Dit goed (kadasternummers 85 t/m 99, behalve 92) werd in de 19e eeuw caterstede Druperink genoemd. Hoewel wij nog geen bewijs hebben dat de Koppels van Boek 1 en Boek 2 tot dezelfde familie behoren, is het toch interessant dat caterstede Droebert in 1830 in het kadaster staat op eigendom van Garrit Jan te Koppele (1784) uit Boek 2, die in 1833 overlijdt op Lievelde 54, twee percelen verderop aan de huidige Droebertweg 2. En uitgerekend op Droebert zijn twee generaties van Boek 1 overleden, terwijl zij (in ieder geval volgens het kadaster Antonius) altijd werkzaam en woonachtig zijn geweest op  Het Meken (“Op Mekes in den bosch” volgens de kadasterkaart van 1828, zie ook verderop).

Het Meken was eigendom c.q. in vruchtgebruik van Jan Derk Klein Ikink en consorten, aldus het kadaster van 1828. Die consorten, was dat onder andere Garrit Jan (1741)? Dit moet op papier nog worden bevestigd, maar gezien alle omstandigheden, bijvoorbeeld dat hij daar getrouwd is en zijn kinderen daar ook zijn geboren, mogen we hier wel rekening mee houden. En als je een erfgoed met consorten moet delen, dan is het toch een prachtige reden om te willen overlijden bij je eigen familie op Eefsel? Overigens geeft voorgaande aan dat voornoemde erfgoed ook een koppel was. Wat precies de definitie van een koppel (middeleeuws: coppel) was kan je vinden in het hoofdstuk “Het Koppel in Avest

Daar in Eefsel, of op Het Meken, tussen Groenlo en Lichtenvoorde in de Achterhoek liggen kennelijk de eerste aantoonbare roots van de familie Ten Koppel. Althans, tot zover komen wij nu. Als namelijk blijkt dat de voorouders van vader Teunis aansluiten aan Boek 2, dan liggen de roots in Avest en gaat de stamboom terug tot in de 17e eeuw. De vader van Garrit Jan, Teunis, is gehuwd met Garritjen Laarburg. Het erfgoed Laarberg (verschrijving is normaal in die tijd) ligt dicht in de buurt van Avest, in die tijd behorende tot de gemeente Groenlo. En zie hier: weer een belangrijke link naar Boek 2.

Maar voor een sluitend papieren bewijs voor aansluiting van de twee Boeken stuiten we hierbij op diverse problemen. In Groenlo en Lichtenvoorde is de geboorte van Garrit Jan (1741) niet te vinden. Waar hij is geboren weten wij dus niet. Een geboorteakte van ene Teunis te(n) Koppel(e) of Koppelman omstreeks 1700 kunnen we ook niet vinden. Misschien moet hier nogmaals zorgvuldig naar worden gezocht. Stamvader Teunis van Boek 2 (gehuwd met Henne Huijskes) en stamvader Teunis uit Boek 1 (gehuwd met Garritjen Laarburg) kunnen niet dezelfde persoon zijn. Van Teunis uit Boek 2 staat vast dat hij is overleden in april 1785. En omdat bij het huwelijk van Garrit Jan van Boek 1 in 1778 wordt vermeld dat vader Teunis al is overleden, kan dit dus nooit dezelfde zijn. De aansluiting moet dus nog verder terug in de tijd plaatsvinden. Hier moet nog veel onderzoek naar gedaan worden en dat zal niet gemakkelijk zijn.

Formeel gaan we er dus nog steeds vanuit dat we het hebben over verschillende families totdat nader onderzoek anders bewijst. Zoals het er nu naar uitziet zal alleen een DNA-onderzoek uitsluitsel kunnen geven over de bloedverwantschap als het gaat om de families in de Boeken 1 en 2. Maar bovenstaande brengt ons toch wel aardig dicht in de buurt van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de Boeken 1 en 2 samen te voegen zijn.

Ook aansluiting op Boek 4 is mogelijk. Hoewel wij dat nooit meer met DNA zullen kunnen bewijzen, omdat de familietak is uigestorven. Stamvader Teunis te Koppele (ca. 1720) zou een broer kunnen zijn van Jan te Koppele (ca. 1725) stamvader van Boek 4. In die tijd was het gebruikelijk dat zoons als knecht bij buren gingen werken als op de eigen boerderij geen plek meer was. En dan wordt vaker een boerderij in de buurt overgenomen vanwaar men weer verder een familie sticht. Verder in de tijd zullen we innige onderlinge relaties zien in beide familietakken. Toeval?

Stamouders op ’t Meken
Weer terug naar de oorsprong van de familietak van Boek 1. In 1778 huwde in Lichtenvoorde de 37 jarige Garrit Jan te Koppele “op ’t Meken” (zoals dat werd vermeld) met de 23 jarige Willemina Störteler uit Lichtenvoorde. Ten tijde van het huwelijk van Garrit was vader Teunis reeds overleden. ’t Meken (of “Op Mekes” zoals oude kaarten het ook wel weergeven) was een boerderij dat naast de huidige Poelhuttersslatdijk nummer 2 lag, tussen de Berkendijk, de Voshuttendijk en de Boslaan in “den bosch”, een gebied ten noorden van het dorp Lichtenvoorde. De oudste bewoners/erfopvolgers namen het boerenbedrijf steeds over zoals dat in het verleden gebruikelijk was. Het huwelijk met een Storteler is niet zo verbazend. Het erfgoed Storteler ligt op enkele minuten lopen van Het Meken vandaan, aan de Stegge. En dat is weer in de richting van Avest. Hou het in de gaten!

Eerste zoon: stamboom loopt dood.
De oudste zoon, Antonius, neemt het boerenbedrijf dus over volgens de tradities. In het begin van de 20ste eeuw woonde volgens het kadaster “op Meekes in den bosch” nog steeds een Te Koppel. Rond 1905 woonde daar op B64 (kadaster) Antonie te Koppele met zijn echtgenote Johanna Rondeel en zijn schoonzuster J. Rondeel. Ze hadden geen kinderen. Een oud familielid van de familie Wessels uit Vragender (Lichtenvoorde) wist ons te vertellen dat de familie wel een aangenomen kind hadden dat Klein Gunnewick heette. Deze zou later Het Meken overnemen en de naam Ten Koppel verdwijnt daardoor op die plaats. Tot die tijd hebben daar ten minste vijf generaties Koppels gewoond. In 1993 woonde daar A. Klein Gunnewiek.

Tweede zoon: stamboom breidt zich uit in Nederland.
De tweede zoon van Garrit Jan, Jan Berend ten Koppel, gaat direct na zijn huwelijk op 2 februari 1815 met Geertruij Bloemendaal uit Lichtenvoorde naar Barneveld, om daar als zadelmaker verder door het leven te gaan. Het boerenbedrijf was waarschijnlijk te klein voor meerdere opvolgers. In de eerste helft van de 19e eeuw breidde de bevolking zich in de Achterhoek flink uit en was er sprake van relatief verregaande mechanisering, hetgeen een hoge mate van werkloosheid veroorzaakte. Een tweede belangrijke oorzaak kan zijn geweest dat bewoners uit de Westfaalse streek bang waren voor de Duitse dienstplicht in de Napoleonitische tijd. Er zijn aanwijzingen dat een groot deel van de bevolking rond die tijd (achteraf overigens onterecht) de benen nam om aan de oorlogsdrang van de politiek te ontkomen.

Onze familie wilde zich blijkbaar niet echt kenbaar maken als Katholiek. Dat blijkt uit het feit dat in de lijst “Katholieke inwoners, afkomstig uit het Münsterland, in het bevolkingsregister van Barneveld van 1827” wordt vermeld dat de in 1741 in Bocholt geboren Berendina Benning bij Jan Berend inwoonde. Zij had op dat moment al de hoge leeftijd bereikt van 86 jaar. Maar de naam van Jan Berend en zijn gezin zelf komen nergens voor in de lijsten. Die waren nog relatief jong. Het was dan blijkbaar niet altijd even handig om hiervoor uit te komen in zo’n gesloten gemeenschap. Gereformeerd trouwen in Barneveld, en daarna nog geen maand later Katholiek trouwen in Achterveld was ook geen uitzondering in die tijd. Dat bleek ook uit de diverse dubbele huwelijken bij de familie Strik. Mogelijk dat dit bij onze familie ook heeft gespeeld, maar daarvoor is nog niet naar aanwijzingen gezocht.
Overigens was het toen gebruikelijk dat migranten elkaar hielpen en opvingen bij aankomst in de nieuwe woonplaats.

Vanuit Barneveld splitst de stamboom zich verder in Nederland uit in wat wij noemen de “Barneveldse tak” en de “Zwolse tak”. 

Weer even naar het begin in Barneveld.
Zadelmaker Jan Berend (1782) woonde met zijn echtgenote Geertruij Bloemendaal (1781) vanaf 1815 in Barneveld in huisnummer 200 (bev.reg. 1827). Dit huis lag aan de rand van het dorp Barneveld op de hoek van de huidige Amersfoortsestraat en de Pastoor Gowthorpestraat, waar nu een grote bankinstelling een pand heeft gebouwd. Waarschijnlijk heeft hij het vak geleerd van de familie Schueller die in de Langstraat een leerbewerkingsbedrijf had.

Johanna ten Koppel 1815

Johanna ten Koppel (1815)

Van dochter Johanna (1815) hebben we nog een foto in het archief. Ik denk dat het een van de eerste Koppels op een foto is.

Trouwjurk van Johanna (1815) in het Nairac Museum

Zelfs de trouwjurk van haar, een heel modern kledingstuk voor die tijd, is bewaard gebleven en hangt nu in een Barnevelds museum Nairac.

Bernard Schueller (1812)

Zij huwde in 1843 met zadelmaker J.B. Schueller, ook wel Rooie Bernard of Rooie Schuulder genoemd, uit de Langstraat huis 174 (bev.reg. 1827), vierde pand van de katholieke kerk vandaan (met gezicht naar kerktoren op nummer 36/38 rechts). Nazaten van dit gezin hebben Autobedrijf Schueler in Nijkerk opgebouwd van een fietsenhandel tot een VW-Audi dealer.

De familie van de eerste zoon van Jan Berend (1782), Gerhardus Johannes Ten Koppel (1817), groeide op in de Groene Steeg, de huidige Nieuwstraat. Het kadasternummer is op dit moment nog niet bekend. Deze straat lag aan de andere kant aan de rand van het dorp. Hieronder is te zien hoe zij daar moeten hebben geleefd.

Groene steeg ca. 1880 foto gem. Barneveld ID.nr. 03.0475

Samen met echtgenote Maria Strik (1828) werden daar vijf kinderen geboren maar ze hebben daar een dramatische tijd meegemaakt. Maria (1828) overleed al in 1860 op 32-jarige leeftijd, negen maanden na de geboorte van het laatste kind. Tot overmaat van ramp voor het gezin overleed Gerhardus (1817) nog geen vijf jaar later, in november 1864, op 47-jarige leeftijd. Zijn 84 jarige vader Jan Berend (1782) heeft dit allemaal nog moeten meemaken en vijf kinderen bleven alleen achter. Johannes Bernardus (11), Johannes (10), Geertruida (9), Wilhelmus (7), stamvader van de Zwolse tak en Anthonie (5). En, of er niet genoeg ellende was, overleed in 1868 de toen 8-jarige Anthonie. Dat verdriet is opa gelukkig nog net bespaard gebleven. Hij overleed twee jaar eerder in 1866. Oma Geertruij heeft de drama’s niet meegemaakt. Zij overleed al in 1850.

Maria Strik (1828) was een van de 11 kinderen van Bernardus Strik (1789), logementhouder van herberg “Het Vliegendt Paardt” aan het Moleneinde. Dat logement speelde een belangrijke opvang rol in de integratietijd van de immigranten uit Munsterland.

Geertruida (1855) is op 25 mei 1874 op 19-jarige leeftijd naar Nijkerk verhuisd. Mogelijk was daar een relatie met de familie Schueller waar tante Johanna (1815) mee gehuwd was. Haar neef Antonie Schueler (1849) heeft daar een bedrijf gevestigd (eerder genoemde fietsenfabriek/autobedrijf).

In de opvoeding van de vier kinderen heeft oom Bernardus Strik (broer van Maria (1828) die ook getuige was bij het huwelijk van Gerhardus (1817) en Maria (1828)) met zijn echtgenote Geertruij Voest waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld. Zij woonden in de Oranjestraat 30 in Utrecht, alwaar Geertruida (1855) op 22 jarige leeftijd op 27 maart 1877 als dienstbode ging wonen. 1877 Was het overlijdensjaar van de toen 56-jarige broodbakker Bernardus Strik (broer van Maria Strik (1828)). Tante Geertruij zal de hulp van Geertruida goed hebben kunnen gebruiken. De 20-jarige Wilhelmus (1857) volgde Geertruida (1855) een week later. In 1878 verhuisden zij naar de Nieuwegracht 52 in Utrecht. Van Geertruida (1855) weten wij in ieder geval dat zij is meegegaan, maar van Wilhelmus (1857) weten wij dat nog niet. U zult hem verder in de Zwolse tak kunnen volgen. Zijn spoor zijn wij van 1877 tot 1881 kwijt als hij met Maria van den Berg (1858) uit Kampen gaat trouwen.

Johannes ten Koppel 1853

Johannes ten Koppel 1853

De familietak van Johannes Bernardus (1853) breidde zich uit in de omgeving van Utrecht en midden Limburg. Hij huwde met de Nijmeegse Catharina van Schouten (1854) en is in Renkum gaan wonen alwaar het eerste kind in 1882 is geboren. Hij is de eerste van vier generaties die schilder als beroep heeft gekozen. Waar­schijnlijk is het hen hier niet zo goed bevallen, want het tweede kind is in 1883 in Velp, gemeente Rheden geboren. Wellicht zag hij in Velp ook een grotere klantenkring. Ze hebben aan de Nordlaan (oostzijde) gewoond, vlak bij de spoorwegovergang. Na de dood van Johannes (1853) heeft Catharina (1854) nog op de Kerkallee in Velp gewoond, waarna zij naar Arnhem is vertrokken waar zij tot haar dood in de Spijkerstraat (zuidzijde) heeft gewoond, tussen de Prins Hendrikstraat en de Schoolstraat. Dochter Coba (1890) woonde verderop in de Spijkerstraat (zuidzijde), ter hoogte van de Emmastraat en een andere dochter, Catho (1887) woonde in de Hertogstraat (oostzijde) vlak bij de Spijkerstraat.

Maar het was voor Catharina (1854), dochter van de Amsterdamse Wouter van Schouten (1829) en de Nijmeegse Catharina Janssen (1829), ook niet gemakkelijk. Op zeer jonge leeftijd is zij haar moeder verloren. En Wouter natuurlijk zijn vrouw. Ze was toen enigste kind. Maar haar vader ging later het huwelijk aan met de jongere zus van zijn overleden vrouw, Petronella Janssen (1836). En dan ontstaat er toch wel iets leuks: de kleinzoon van Wouter (1829) en Petronella (1836) trouwt met de dochter van J.B. ten Koppel (1853) en  Catharina van Schouten (1854). Beiden, H.C.J. van Schouten (ca 1894) en W.B. ten Koppel (1889), hebben dus dezelfde grootvader, maar een andere grootmoeder. Maar beide grootmoeders waren zussen van elkaar, dus toch nog weer familie. Kunt u het nog volgen?
Bekend is dat Catharina (1854) nog tot op zeer hoge leeftijd alléén op de trein stapte om bij haar kinderen en kleinkinderen op visite te gaan.

De eerste zoon van J.B. ten Koppel (1853), Johan (1883), gaat in Zaandam wonen. Johan trouwt daar met een dochter van de familie Kleijn, Maartje. Maartje’s moeder komt uit een gezin van 10 kinderen. Maar haar opa is na de dood van zijn eerste echtgenote nog twee maal hertrouwd. Johan en Maartje krijgen weer één zoon. Johannes (1918), die eerst in Amsterdam en later in Amstenrade (Limburg) gaat wonen en twee dochters, Catharina (Toot) (1916) en Margreta (1927). Het gezin van Toot (1916), die met Peter de Wilde was gehuwd, is door een auto ongeval om het leven gekomen. De auto kwam op 5 oktober 1954 ter hoogte van Beek en Donk in de Noord-Willemsvaart terecht. Twee passanten uit Gemert deden nog een poging om het gezin te redden, maar ze kregen de deuren van de auto niet open. Het gezin is in Amsterdam begraven.

Johannes (1854) ging in 1874 in de Middachtersteeg te Rheden wonen. Hier ontstaat, ondanks de tien kinderen van Jo­hannes (1854), een kleine familietak die de naam Ten Koppel draagt. Dit kwam door het grote aantal dochters waarop de stamboom doodloopt. Johannes (1854) overleed, niet lang nadat het laatste kind was geboren, in 1902. Het vaderloze gezin zal met het opgroeien veel problemen moeten hebben gekend. Temeer omdat dit al de tweede generatie achter elkaar is dat zo “dramatisch” opgroeit. Bij ons is van één zoon, Gradus (1891), nakomelingen bekend. Gradus (1891) is naar Amsterdam gegaan.

Velp
De tweede zoon van Johannes Bernardus, Ben (1893), bleef wel in Velp (G) wonen, aan de Daalhuizerweg 12. Hij had daar een stoffeerderij bedrijfje dat hij tot zijn dood zelf beheerde. Dat bedrijfje heeft in de Tweede Wereldoorlog veel moeten inleveren omdat Ben toen veel aandacht besteedde aan het verzet en de Rode Kruisorganisatie in de regio. Hiervoor heeft hij nog een herinneringskruis ontvangen. Ben (1893) kreeg in Velp twee kinderen: Joke (1922) en Ben (1923)

Joke (1922) is gehuwd geweest met Gerrit Jacobs maar heeft geen kinderen voortgebracht. Als kind waren Gerrit en Joke buren van elkaar. Joke heeft bijna haar hele leven aan de Daalhuizerweg gewoond. Eerst op nummer 12 bij haar ouders en later op nummer 28 met haar man, die dus ook altijd aan dezelfde straat heeft gewoond. Na hun trouwen hebben ze nog even aan de Beukenweg 21 gewoond. Na de dood van Joke’s ouders, is zij weer met haar man op nummer 12, waar zij is geboren en getogen, gaan wonen, alwaar zij later ook is overleden.

Ben (1923), beroepsmilitair, heeft 3 kinderen voortgebracht, Ben (1954), Leon (1957) en Yvon (1960). Hij is gehuwd geweest met Claar Timmermans die geboren is in Lomm, gemeente Arcen en Velden, Limburg. Ben heeft haar in Groesbeek leren kennen omdat hij daar geplaatst was bij de Koninklijke Marechaussee voor het bewaken van onze landsgrenzen. Later is hij voor een administratieve functie bij de landmacht geplaatst (geneeskundige troepen) en in Utrecht geplaatst. Claar komt uit Limburg van kleermakersfamilie Timmermans die een paar honderd jaar in Neer het vak uitoefende. Zij is echter door diverse omzwervingen van haar ouders, in Lomm (nabij Venlo) geboren. Haar opleiding aan de Kweekschool, zoals dat toen nog heette, heeft ze in Bergen op Zoom genoten. Rond 1950 heeft zij voornamelijk in Groesbeek voor de klas gestaan.

Ben (1954), gehuwd met Andra van den Broek (1960), is kinderloos gebleven en door kanker overleden in 1998.
Yvonne (1960) is ook kinderloos gebleven. Door zuurstofgebrek bij de geboorte is ze geestelijk gehandicapt geworden. In haar jeugd heeft ze tot ongeveer haar 16e jaar thuis gewoond, waarna ze later is geplaatst in Udenhout in Huize St. Vincentius.

Leon (1957), initiatiefnemer en beheerder van het Familie-archief, is twee maal getrouwd. Uit het eerste huwelijk heeft hij drie kinderen, Remko (1984), Kevin (1992) en Ilona (1994) en uit het tweede huwelijk één dochter, Nicky (1996). In 1982 is hij begonnen met het onderzoek naar de familiegeschiedenis omdat hij nieuwsgierig was naar de herkomst van de achternaam. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het huidige Familie-archief dat verregaand gedigitaliseerd is.

De Zwolsche tak
In de Provinciale Overijsselse courant, maar ook in andere kranten, vinden we diverse historische berichten en advertenties van de Koppels uit Zwolle. Als we zien dat Wilhelmus (1857) een moeilijke jeugd moet hebben gehad (al weeskind op 7-jarige leeftijd), dan zien wij dat dat hij een sterke familie heeft voortgebracht. Hij zelf en zijn nageslacht zijn hardwerkende mensen geweest die niet geheel zonder risico erg ondernemend zijn geweest en ieder op zijn eigen manier prestaties heeft geleverd.

Wilhelmus ten Koppel 1957

Wilhelmus ten Koppel 1857

Zoals in de Barneveldse tak is te lezen, is Wilhelmus (1857) in 1880 “teruggevonden” in Zwolle, nadat we hem een kleine drie jaar kwijt waren. Misschien dat het nog iemand lukt, maar wij konden hem in de archieven niet terugvinden. Tante Geertruij, waar Wilhelmus inwoonde, verhuisde in 1877 van de Oranjestraat 30 naar de Nieuwegracht 52 in Utrecht, zoals eerder te lezen was. En van Wilhelmus staat niet vast dat hij mee ging. Zij zus Geertruida wel. Tussen 1877 en 1881 zal hij waarschijnlijk ergens tussen Utrecht en Zwolle hebben gezworven waar hij mogelijk in de buurt van Zwolle zijn bruid uit Kampen treft. Wat de trigger is geweest om die kant uit te gaan is niet duidelijk. Aannemelijk is dat de familie Schueller uit Nijkerk een connectie is geweest tussen de periode Utrecht en Zwolle.

Hoogstraat ZwolleBoven: Hoogstraat 8, 1e pand na het witte zonnescherm

Op 1 april 1881 neemt Wilhelmus (1857) de onderneming in Zwolle over van A.T. Spitman aan de Hoogstraat 8, die daar al 40 jaar gevestigd is geweest, en vestigt daar een zadelmakerij. Zo vermeldt voornoemde krant van 1 april 1881. Misschien heeft hij daar de afgelopen drie jaar wel het vak geleerd. Want van zijn vader kan hij nooit veel hebben geleerd, omdat hij net 7 jaar oud was toen die overleed.Een maand later trouwt hij met Maria van den Berg. Er is een zaak, er is een vrouw en er is onderdak. Alles geworteld in diep geloof, want de familie was erg confessioneel. En zo ontstaat de “Zwolse tak” van de familie Ten Koppel. De zaak is tot 1895 in de Hoogstraat gevestigd geweest, aldus het Historisch Centrum Overijssel.

Op 04-04-1901 vinden we een bericht van geveilde huisjes aan de Musschenhage, een week eerder geveild en gegund aan Wilhelmus ten Koppel (1857) voor 4.700 gulden. De Musschenhage is een kort zijstraatje van de Hoogstraat, dat uitkomt op de huidige Nachtegaalstraat. De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 17-03-1928 vermeld dat zoon W. ten Koppel (1895) en dochter G.J. ten Koppel (1885) zich vanuit Utrecht gingen vestigen in Zwolle aan de Musschenhage 9a. Een half jaartje later trouwde Willem daar met Maria Borsboom.

Voor de brug rechts de VarkensmarktBoven: vóór de brug rechts de Varkensmarkt rond 1900

Wilhelmus (1857) is later naar de Varkensmarkt nummer 9 verhuisd met de zaak. Hij gaat daar ook luxe auto’s verhuren, verkopen, stallen en wassen. Later zal dit bedrijf aan de Beestenmarkt 6, die voorheen ook wel eens de Nieuwe Ossenmarkt werd genoemd (vanaf 1931 de Harm Smeengekade), worden voortgezet, getuige een advertentie voor de werving van een zadelmakers leerling, door zoon Bernard. Op dinsdag 11 oktober 1932 worden publiekelijk de garage aan de Varkensmarkt 9 en 9a en het huis daarnaast gelegen aan de Musschenhage nummer 5 en 7 verkocht, aldus een advertentie van notaris Minke.
De Provinciale Overijsselse courant van 24 november 1932 vermeld een openbare verkoop aan de Musschenhage 9 op 7 december van een complete inboedel. Zou dat iets te maken hebben met de verkoop van de andere percelen?

Zoon, G.J. ten Koppel (1889) is in Den Haag gaan wonen en wordt carosseriefabrikant aan de Theresiastraat 161. Wij zien hem in 1909 vertrekken naar Nijmegen.Wat er tussen Den Haag en Nijmegen gebeurt is nog niet duidelijk. Hij raakt volgens het Algemeen Handelsblad van 15-07-1921 zijn rijbevoegdheid kwijt voor 2 maanden door overtreding van artikel 15 der Motor- en Rijwielwet. Het betreft te hard rijden.
De kinderen van Gerhardus Johannes (1889), Sophia Maria (1922), Hendrikus Wilhelmus Gerardus (1925) en Gerardus Petrus (1928), vertrekken naar Canada. Sophia (1922) is getrouwd met een van de Canadese bevrijders en is als eerste vertrokken in 1945. De 2 broers volgden in mei 1948. Een krantenbericht in de Edmonton Journal is hier nog getuige van (klik hier). In die tijd was het ook “populair” om te emigreren. Er ontstaat daar een Canadese familietak. Henk (1925), in Canada Hank genoemd, brengt in Edmonton (Alberta) de familie Tenkoppel tot leven.
De moeder van de drie boven genoemde kinderen, Elisabeth van Zwetsloot (1889), heeft in die tijd door woninggebrek gescheiden van de huisgenoten geleefd en is door verschillende ziekten getroffen. In 1947 is zij overleden.

Johannes (1891) startte op 1 januari 1918 samen met Berend Westerink een wagenmakerij en smederij en daaraan verbonden handel aan de Hoogstraat 27 in Zwolle. Eerder, in 1912, is hij naar Den Haag gegaan, waarschijnlijk om bij zijn broer G.J. ten Koppel (1889) die in Den Haag carosseriefabrikant was, het vak te leren. We komen hem regelmatig tegen, maar bijvoorbeeld ook op 16-04-1931 in een advertentie aan de Hoogstraat 27 in Zwolle voor de verkoop van sleepkarren, boerenwagens, cameons, dresseerkarren, brik en venterswagen. Erg veel weelde zal deze onderneming niet hebben gebracht. Op 1 november 1941 moest hij in hoger beroep voor de economische rechter in Zwolle komen omdat hij illegaal in zijn schuurtje een varken had geslacht die hij op de markt had gekocht. Hij verklaarde voor de rechter dat hij het moeilijk had met zo’n groot gezin en had daarom om clementie gevraagd. De officier had daar kennelijk niets mee en verhoogde de straf naar 50 gulden subsidiair 25 dagen hechtenis. Het uiteindelijke vonnis ben ik nog niet tegen gekomen. Maar zijn zoon verklaarde mij dat hij zich dat kon herinneren en dat zijn vader hiervoor gezeten heeft. Hij zei dat mogelijk een NSB buurman hem had verraden. Het was toen oorlogstijd en zaken die toen strafbaar waren staan nu in een heel ander daglicht.

Beestenmarkt met zicht op begin Hoogstraat [2]

Hoewel Bernardus in 1893 is geboren, geeft hij in een advertentie in 1929 aan dat het bedrijf in 1884 is opgericht, dus zet hij blijkbaar de zaken van pa voort. De Beestenmarkt (ofwel Veemarkt) 6 moet een flinke ruimte zijn geweest, want op 12-05-1933 geeft voornoemde krant in een advertentie aan dat er ruimte wordt geboden voor de stalling van wel 100 auto’s. In diverse advertenties wordt de verkoop genoemd van alle soorten onderdelen van tuigen en garnituren in ijzer, koper en nieuwzilver aan de Veemarkt nummer 6. Op 12-02-1930 wordt hij in een advertentie genoemd met een bedrijf aan de Beestenmarkt nummer 6 met landhekken, rikpalen, draad enzovoort. Ook verkoopt hij daar alle soorten ontriemen, leren zuig-, pers- en afsluitringen en is het ook een reparatie inrichting. In 1931 verandert de straatnaam Beestenmarkt in Harm Smeengekade.

Alle bedrijvigheid in Zwolle maakte in het begin van de 20ste eeuw gebruik van telefoon nummer 861. Dan moet er toch wel een nauwe samenwerking zijn geweest.

Zoon Antonius (1902) komt ook in de krant, maar daar zijn wat vraagtekens bij geplaatst. Op 20-10-1927 meldde het Leeuwarder Nieuwsblad het volgende:
Gistermorgen zijn op last der justitie aangehouden mejuffr. J. de Groot – Groen en A. ten Koppel, chauffeur. Laatstgenoemde was chauffeur bij den scheepsbevrachter H.J. de Groot die in den nacht van 11 sept. Tusschen Wije en Olst in zijn auto levend verbrandde. De brand ontstond, doordat Ten Koppel op een eenzame plaats benzine bijvulde en deze benzine door het aansteken van een cigaret door De Groot – naar Ten Koppel verklaart – in brand vloog. De vrouw van De Groot wandelde, toen dit geschiedde, op enige afstand“, aldus het krantenbericht.
Het Algemeen Handelsblad meldde dit al een dag eerder. Na door de rechter van instructie te zijn verhoord is hij volgens het Algemeen Dagblad van 02-11-1927 weer in vrijheid gesteld. Het betrof kennelijk een dramatisch ongeval. De pers suggereerde door opmerkingen van getuigen dat het om een liefdesrelatie ging tussen Antonius (1902) en Jacoba Groen, de echtgenote van H.J. de Groot en dus moord voor de hand lag. Vooralsnog was sprake van vrijspraak. We moeten er maar vanuit gaan dat de pers speculatie erg voorbarig was. Tien jaar later, in augustus 1937, laat Jacoba Groen, de echtgenote van wijlen H.J. de Groot het leven door langdurige ziekte. Antonius zal best wel een goede band met haar hebben gehad, want hij wordt in de overlijdensadvertentie in de krant van 14-08-1937 genoemd naast de familie van Jacoba.
Antonius (1902), die later in de Korte Kamperstraat 26 woonde, wordt eerst als garagehouder op 06-11-1937 failliet verklaard en later op 29-04-1938 als scheepsbevrachter in eerder genoemde krant. Antonius zal het niet gemakkelijk hebben gehad. Hij wordt meerdere malen genoemd in verband met faillissementen en, zoals eerder bleek, in enige dramatische persoonlijke belevenissen.

In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant staat op 21-01-1942 vermeld dat W. ten Koppel (1895) werd veroordeeld door de economische rechter tot 25 gulden subsidiair 10 dagen, omdat hij op 20-11-1941 (krant van 12-04-1943) van de heer A.M. Koetsier verschillende distributiebonnen had gekocht. Niet bekend is of hij de boete heeft betaald of is gaan zitten. Handel in distributiebonnen was indertijd strafbaar. In andere berichten blijkt dat hij koffie had verkocht aan soldaten. In een vrije wereld waarin wij nu leven is nauwelijks te bevatten dat dit strafbare feiten waren. Het zal waarschijnlijk ook tegen het rechtsgevoel van Willem (1895) hebben ingedruist. Want op 12-04-1943 werd in dezelfde krant vermeld dat hij in hoger beroep door het Gerechtshof te Arnhem hiervoor werd veroordeeld tot 75 gulden boete of 30 dagen hechtenis. Dat moet heel wrang zijn geweest.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s